Voor mijn studie Milieukunde aan de Open Universiteit moest ik de module Milieuproblemen en Duurzame Ontwikkeling afsluiten met een scriptie van ongeveer 5000 woorden (inclusief literatuurlijst volgens de APA-regels). Ik heb die laten gaan over een onderwerp waar ik al het nodige van af wist, de klimaataspecten van het vliegen.
De titel is Klimaat dwingt de vliegtuigsector tot beperking, en de wereld tot keuzes
Het vliegverkeer neemt al decennia toe en zal dat bij ongewijzigd beleid blijven doen. De bijbehorende emissies zullen dan navenant toenemen.
Links het brandstofverbruik per jaar (een Tg is een miljard kg = 1 miljoen ton), rechts het aantal kilometers dat betalende passagiers jaarlijks afleggen (Lee et al.)
Op de Klimaatconferentie in Parijs is geeist dat de mondiale tempera-
tuur minder dan 2°C moet stijgen. Dat kan alleen bij dalende emissiescenario’s.
Technische vooruitgang kan de groei van het vliegen tot op zekere hoogte ontkoppelen van de bijbehorende broeikasgasemissies. De vliegsector heeft daartoe een ideaal-scenario opgesteld waarin al een zekere emissiegroei als vooronderstelling verwerkt zit.
Het ATAG-model 2010, waarmee de vliegsector denkt zijn emissies te kunnen beperken. In mijn scriptie heb ik ervoor gekozen dit model normatief te maken. Het moet gehaald worden. Ik denk niet dat dat gaat lukken. Voor zover het niet lukt, moet er minder gevlogen worden.
Diverse commentaren echter maken aannemelijk dat technische middelen overschat worden en dat ook dit ideaal-scenario niet bereikt wordt.
Vliegmaatschappijen en luchthavens draaien economisch vaak marginaal draaien en zetten hun economisch belang vaak zwaarder neer dan gerechtvaardigd. Ze behartigen hun belangen agressief.
In deze tekst wordt ervoor gekozen het ideaal-scenario van de vliegsector normatief op te leggen. Luchtvaartgroei is slechts mogelijk als alle bijbehorende broeikasgaseffecten aantoonbaar weggecompenseerd worden tot op het ideaal-scenario. Dat leidt tot minder groei, en mogelijk tot krimp.
Dat vraagt om een nieuw concept om internationale communicatie en verplaatsingen te blijven faciliteren.
Communicatie moet vaker op afstand plaatsvinden.
Verplaatsingen moeten door alternatieven worden overgenomen, zoals een HSL-net met een goed onderliggend spoorwegnet. Het alternatief moet beduidend minder broeikasgassen produceren dan vliegen.
Politici in de VS steggelen er nog over, maar de krijgsmacht van de VS is er al lang uit: het is nodig om je voor te bereiden op oorlogen, waarvoor het klimaat de “threat multiplier” of de “accelerant of instability” wordt. Niet de enige oorzaak, maar wel een versterkende factor naast slecht en corrupt bestuur, ethnische verdeeldheid en bevolkingsgroei. Nigeria is een voorbeeld: door slecht en corrupt bestuur, ontbossing, overbegrazing en ook door het verschuiven van de regenzones is het noorden van Nigeria van vruchtbaar boerenland veranderd in savanne. Dat heeft de opkomst van Boko Haram ongetwijfeld geholpen.
Bij het voorkomen en bestrijden van de geopolitieke gevolgen hiervan wordt de krijgsmacht van de VS als vanzelf een belangrijke speler op het gebied van de humanitaire hulp. Niet omdat ze ineens softie zijn geworden, maar omdat het belang van de VS ermee gediend is. De leiding in de afzonderlijke militaire districten in de wereld heeft inmiddels in januari 2016 instructies gekregen om plannen te maken.
Hierover schrijft Andrew Holland in de Scientific American van juni 2016.
Klimaatverandering heeft een direct en indirect gevolg.
Direct kan de militaire infrastructuur door de stijging van de zeespiegel onder water lopen. (Het zou tragisch zijn als Guantánamo Bay onderliep? Zeg ik, niet Andrew Holland). Dat is de minste zorg.
Indirect ligt het veel moeilijker. Holland noemt enkele voorbeelden.
In Afrika, waar de grootste problemen verwacht worden, hebben de VS weinig militaire mensen rondlopen. Daar werkt de krijgsmacht van de VS samen met USAID, en werkt hij in eerste instantie min of meer diplomatiek. Holland noemt als positief voorbeeld Burundi. Op basis van wetenschappelijk onderzoek was daar ellende voorspeld en die kwam inderdaad toen de huidige president ongrondwettelijk nog een derde termijn aan de macht wilde blijven. De rellen hebben tot nu toe zo’n 500 mensen het leven gekost, maar de zaak liep in zoverre niet uit de hand dat het (door de VS getrainde leger) leger neutraal bleef (beweert Holland). Met Nigeria hebben de VS tot nu toe weinig bemoeienis gehad.
In Azië noemt Holland de hulpverlening aan de Phillipijnen na de orkaan Haiyan als voorbeeld. De VS-krijgsmacht kon daar snel en goede hulp bieden. Obama kon zes maand later een nieuw defensieverdrag tekenen. Haiyan is een klimaatvoorbeeld, omdat de oceanen warmer worden, waardoor aantal en heftigheid van de typhoons toeneemt. Zolang een Amerikaanse bondgenoot banger is voor de volgende typhoons als voor de Chinese dreiging, aldus vrij vertaald het militaire standpunt, staat hun hoofd niet naar uitbreiding van hun defensie. Aldus opgetekend door Holland.
Syriers bidden om regen
Ook in het Midden-Oosten zijn er veel klimaatproblemen (oa Syrië), maar vooralsnog zijn de Amerikanen daar zo druk aan het vechten dat er geen langere termijn-gedachten op de agenda verschijnen.
Tenslotte besteedt Holland een analyse aan het noordpoolgebied. Dat wordt ijsvrijer (maar het ijs blijft grillig). De Russen hebben er hun machtige Noordelijke vloot, de VS alleen patrouillerende onderzeeërs en geen infrastructuur. Militaire aanwezigheid daar zou de Amerikanen kapitalen kosten. Vooralsnog tekent zich een ijsbrekerwedloop af.
Een internationaal rapport van de American Meteorological Society, de State of the Climate, toont aan dat de aarde inderdaad steeds warmer aan het worden is.
De VS-overheidsorganisatie NOAA (de National Oceanic and Atmos-
pheric Adminstration) maakte een samenvatting van het rapport. Enkele highlights:
De langetermijn trend in de klimaatverandering en een van de sterkste El Niño’s ooit zorgden ervoor dat 2015 nog warmer was dan 2014, en daarmee het warmste jaar sinds de metingen begonnen.
De mondiaal gemiddelde landtemperatuur zat ruim 0,4°C boven het gemiddelde van 1981-2010 (in de klimaatleer werkt men standaard met 30 jaar-perioden bg)
Het Noordpoolgebied was jaargemiddeld 1,2°C warmer.
De broeikasconcentraties van CO2, methaan en N2O waren de hoogste ooit (CO2 jaargemiddeld 399,4ppm, een stijging van 2,2%).
De mondiaal geiddelde zeewatertemperatuur zat ongeveer 0,35°C bovengemiddeld, en is eveneens een record
De zeespeigel is 70mm gestegen sinds men in staat was die mondiaal te meten, in 1993
Er waren in 2015 over de hele aarde 101 tropische cyclonen, terwijl er dat van 1981-2010 jaargemiddeld 82 waren
Als de Groenlandse ijskap helemaal zou verdwijnen, zou de zeespiegel meer dan zes meter stijgen. Nu is het niet meteen zover, maar over enkele eeuwen zou het wel kunnen. Tot nu toe zijn de verwachtingen voor 2100 dat het Groenlandse ijs drie decimeter aan de zeespiegel toe-
voegt. Maar veel is nog onbekend en het lijkt uiterst relevant voor
Nederland. Groenland verliest nu 200 miljard ton ijs per jaar.
Het is daarom interessant dat Nature (Quirin Schiermeier, 28 juli 2016) aandacht besteedt aan Deens academisch onderzoek, met in de hoofdrol Anders Bjørk. Bjørk is een avontuurlijk type, dat gek is op de poolgebieden en met grote regelmaat op Groenland komt. Maar vlak buiten Kopenhagen, in een oud fort, vond hij een researchobject dat minstens zo waardevol was en dat hem even intensief bezig houdt als zijn veld-
werk op Groenland.
Oude luchtfoto’s. Begin jaren ’30 lagen Denemarken en Noorwegen overhoop wie er de baas was op Groenland. Denemarken won dat in 1933 bij het Internationaal Hof in Den Haag. Intussen waren er tienduizenden (ooit geheime) foto’s gemaakt, waarvan de gevoelige negatieven in het Deense fort lagen. De toenmalige expeditie werd geleid door Knud Rasmussen. De foto’s zijn gemaakt vanaf 4000 m hoogte, vanuit een open watervliegtuig, met een roterende camera.
De toenmalige onderzoekers hebben goed werk geleverd. Ook zonder GPS bleek het mogelijk nauwkeurig te navigeren.
Uiteraard kijken de meeste foto’s schuin op het land. Daardoor moeten ze een voor een met de hand omgezet worden naar nette coördinaten. Dat gaat goed, maar kost veel tijd.
Nu bekend is dat Bjørk zich met dit werk bezig houdt, wordt hem van alle kanten materiaal aangeboden, waardoor zijn bestanden zowel naar voren als naar achteren uitgebreid zijn. Deze kant op tot voorbij de oudste satellietgegevens, die 40 jaar oud zijn, en de andere kant op tot voorbij de uitvinding van het fototoestel, zoals schetsen van Hinrich Rink (1851) van de Jakobshavn gletsjer. Ook dat bleek precisiewerk. Bjørk heeft ook schetsen die Alfred Wegener kort voor zin dood gemaakt heeft op centraal-Groenland (Wegener was de man die voor het eerst de theorie van de ‘plate tectonics’ geopperd heeft – de theorie van de drijvende continenten. Hij werd aanvankelijk voor gek versleten.).
Inmiddels heeft Bjørk 180.000 luchtfoto’s en en ongeveer 600 schetsen en schilderijen.
Ook heeft Bjørk historische metingen van de zeewatertemperatuur, die gelegd kunnen worden naast die van het NASA Oceans Melting Greenland project.
Elk van de 309 rode stippen is een grote gleysjer. Elk blauw lijntje is een vliegtracé.
Het algemene beeld is dat het ijs zich moeilijk in regels laat vangen.
In Bjørks analyseperiode is het ook door natuurlijke oorzaken warmer en kouder geweest. Eind 19de eeuw was het relatief koud, en begin 20ste eeuw relatief warm. Men ziet dat terug op de foto’s. Gletsjers reageren gevoelig op kleine temperatuurverschillen, maar gletsjers die in zee eindigen reageren sneller dan die op het land liggen. En daarbinnen hebben gletsjers ook nog een individueel gedrag, dat mogelijk wordt beïnvloed door de onderliggende rotsen.
Maar de tekens zijn niet goed. De huidige terugtocht duurt langer en is omvangrijker dan bij eerdere fluctuaties het geval was. Het gemiddelde jaarlijkse ijsverlies tussen 2003 en 2010 was meer dan het dubbele van het gemiddelde in de 20ste eeuw.
De World Meteorological Organization (WMO) meldde in een persbericht van 21 juli 2016 dat het gemiddelde weer op aarde over het eerste half jaar van 2016 weer vele records gebroken heeft. Het jaar 2016 zou het warmste jaar ooit op aarde kunnen worden sinds het begin van de registratie.
Voor de volledige tekst zie Global climate breaks new records januari-juni 2016 .
De stelling is gebaseerd op een rapport van de US National Oceanic and Atmospheric Administration (NOAA) ( http://www.ncdc.noaa.gov/sotc/global/201606 ) en NASA’s Goddard Institute for Space Studies (NASA_GISS) (http://svs.gsfc.nasa.gov/12305 ), beide gezaghebbende instituten.
“Another month, another record. And another. And another. Decades-long trends of climate change are reaching new climaxes, fuelled by the strong 2015/2016 El Niño,” said World Meteorological Organization Secretary-General Petteri Taalas.
“The El Niño event, which turned up the Earth’s thermostat, has now disappeared. Climate change, caused by heat-trapping greenhouse gases, will not. This means we face more heatwaves, more extreme rainfall and potential for higher impact tropical cyclones,” said Mr Taalas.
De CO2- concentraties zijn over de 400ppm hene geschoten.
De gemiddelde temperatuur op aarde was 1.3°C warmer dan eind 19de eeuw.
De ijskap op Groenland begon ongewoon vroeg te smelten en het Noordpoolijs neemt 40% minder oppervlakte in dan rond 1980.
Het was een stuk droger dan normaal in o.a. Spanje en het westen en midden van de VS, en een stuk natter dan normaal in o.a. Noord- en Centraal Europa.
VN-baas ban Ki Moon heeft de wereldleiders op 21 sept 2016 uitgenodigd om over de uitvoering van het Klimaatakkoord van Parijs te praten.
In een ander artikel van dezelfde dag publiceerde de WMO een afbeelding van een hittegolf op 21 juli 2016.
Hittegolf in het Midden-Oosten op 21 juli 2016. In Kuweit en Basra was het 54 graad C.
Zie WMO over temperatuurrecord in Kuweit .
Het was (volgens de WMO) rond de 54°C in Kuweit en Basra, maar ook in grote steden als Riad en een stad als het Perzische Ahvaz (met ruim een miljoen inwoners) moet het zo warm geweest zijn. De WMO stuurt een commissie naar Kuweit om de meting te controleren.
Deze hittegolf besloeg een groter gebied. In het zuiden van Marokko was het tussen de 45 en de 47 °C
Er zijn heel oude metingen die nog iets hoger liggen dan 54°C (1913 Death Valley en 1931 Tunesie), maar die worden niet meer vertrouwd.
Het systeem voldoet aan de norm, maar de norm voldoet niet meer. Dat is een notedop de inhoud van de Statenmededeling over wateroverlast in Noord-Brabant (4 juli 2016). nn
Wateroverlast in juni 2016
Op basis van een eerder ingediende motie van CU-SGP en CDA had het College van Gedeputeerde Staten (GS) bekeken in hoeverre akkerland en grasbouw nog adequaat beschermd waren tegen overvloedige neerslag. Provinciale Staten gaan daarover.
Wat komt er uit dat ‘bekijken’?
De uitkomst van dat bekijken is een soort drietrapsraket.
De eerste trap is dat de situatie nagenoeg overal voldoet aan de nu geldende wettelijke norm. Die luidt:
(Lees: de spoorwegen mogen gemiddeld maar eens in de 100 jaar onder lopen enzovoort.)
De waterschappen hebben een systeem ontworpen dat nagenoeg overal aan deze norm voldoet, als uitgegaan wordt van het Klimaatscenario van 2006 van het KNMI en de bijbehorende neerslagtabellen.
De tweede trap is dat het KNMI in 2014 een nieuw scenario gemaakt heeft, waarbij door STOWA (dat is zoiets als het wetenschappelijk bureau van de waterschappen) nieuwe neerslagreeksen berekend zijn. De uitkomst in een notedop: (Lees: als er in 2006 eens per 10 jaar 80mm regen in vier dagen viel, viel er in 2014 eens per 10 jaar 89mm in vier dagen, enz.)
Let wel: deze cijfers zijn gemiddeld over een groter gebied.
De derde trap is dat er in een klein gebied “boven-normatief veel” regen kan vallen. Bijv. in 2015 in het land va Heusden en Altena viel er lokaal in korte tijd meer dan twee keer zoveel regen als waar het systeem op berekend is.
Wat gaan GS nu doen? In 2018 (dat is een jaar vroeger dan eigenlijk moest) gaan de waterschappen een nieuwe voortgangsrapportage schrijven. Die zal formeel getoetst worden aan het nieuwe klimaatscenario annex de nieuwe STOWA-cijfers. Op verzoek van GS maken de waterschappen een indicatieve tussenrapportage in 2016.
Verder gaan GS met de waterschappen in overleg over maatregelen om de gevolgen van “boven-normatieve” lokale hoosbuien te verlichten. Die krijgen een plaats in de uitvoeringsagenda van het Provinciaal Milieu- en Water Plan. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een eerdere studie van het (Gelderse) waterschap Rivierenland.
Maar denk ook aan droogte! De bevolking heeft, niet onbegrijpelijk, de sterke neiging zich het meest bezig te houden met de meest verse ellende. En dat is nu teveel water.
Maar het meer extreme weer, dat het klimaat ons brengt, kan ook betekenen dat er meer extreme droogtes komen. Een boer koopt er weinig voor als voorkomen wordt dat zijn oogst in het ene jaar verzuipt en in het andere jaar verdroogt. Er is dus een totaalplaatje nodig. Daartoe is het Deltaplan Hoge Zandgronden ontworpen ( Het Deltaplan hoge zandgronden)
Het KNMI heeft een beschrijving annex klimaatanalyse uitgebracht over de extreme buien van eind mei en begin juni 2016, en een beschrijving van het noodweer van 22 en 23 juni.
Het KNMI over 31 mei en 1 juni 2016
De eind mei-studie is te vinden op www.knmi.nl/kennis-en-datacentrum/achtergrond/klimaatanalyse-van-extreme-buien-eind-mei-begin-juni-2016 .
Eind mei lagen Limburg en Zuidoost Brabant aan de rand van een groot neerslaggebied. Die neerslag hoorde bij een depressie boven Frankrijk en Duitsland, die ruim een week bleef hangen.
Belgie en Zuid-Nederland kregen hevige onweersbuien van mee, leidend tot lokale wateroverlast.
In Zuid-Duitsland leidden relatief kleinschalige, maar zeer hevige buien tot flash floods en aardverschuivingen.
In Frankrijk viel de regen aanhoudend over een groot gebied, waardoor in het stroomgebied van de Seine en de Loire de rivieren recordhoogtes bereikten en buiten hun oevers traden. Het Louvre werd voor de zekerheid gesloten.
De klimaatwetenschap wordt gestaag beter, maar zeer lokale gevolgen als het buiten de oevers treden van een rivier kunnen nog niet berekend worden. De regen, die er de oorzaak van was, kan al wel in lokale modellen gevangen worden.
Het KNMI stelt dat de buien in Duitsland niet met een veranderend klimaat in verband kunnen worden gebracht. De kans dat ergens in Zuid-Duitsland in april, mei of juni een dergelijke buiencomplex optreedt eens in de 20 jaar. Dat is niet heel zeldzaam en de tijdreeksen van 250 weerstations vanaf 1951 laten een afname in de extreme neerslag zien.
Gemiddelde neerslag in mm/dag in Frankrijk op 29-30-31 mei – bron NOAA/CPC
Voor Frankrijk komt het KNMI tot een ander oordeel.. De kans op dit type neerslag is sinds 1960 voor de Seine 1.8* zo hoog geworden is, en voor de Loire 1.9* zo groot. Dat kan gelezen worden als dat de kans op zoveel regen in het stroomgebied van de Seine gestegen is van 1 op 900 naar 1 op 500 per jaar. Bij de Loire is dat van 1 op 180 naar 1 op 100 per jaar.
De onderliggende natuurkunde is simpel, stelt het KNMI. De Clausius-Clapeyronvergelijking zegt dat +1°C (de temperatuurstijging sinds 1960) maakt dat de lucht 7% meer waterdamp kan bevatten (wat inderdaad ook gebeurt).
Overigens heeft het KNMI ook voor de zware regenval in juli 2014 (waardoor onder andere delen van Tilburg onderliepen, zie Klimaateffecten in Brabant – 2: Tilburg en het noodweer van 28 juli 2014) een klimaatanalyse gemaakt. Daaruit kwam ruwweg dezelfde verdubbeling van de kans op een dergelijke hoeveelheid neerslag.
Het KNMI over het noodweer rond 23 juni 2016
De tekst is te vinden op http://www.knmi.nl/kennis-en-datacentrum/achtergrond/zware-onweersbuien-op-22-en-23-juni-vol-extremen .
In de nacht van 22 op 23 juni, op 23 juni en in de nacht van 23 op 24 juni kwam het in Brabant en Limburg tot een extreem noodweer. Op de neerslagradar van het KNMI was boven Brabant een heuse ‘supercel’ te zien met rolwolken, vuistgrote hagel, valwinden en uitzonderlijke neerslag.
Supercel boven Brabant rond 23 juni 2016. weerradar KNMI
Delen van Brabant zagen er uit alsof er een oorlog gewoed had.
Het KNMI heeft (nog?) geen klimaatanalyse gemaakt van het noodweer rond 23 juni.
Schade en verzekering
Alleen al in een agrarische gemeente als Someren kwamen de gemeente en de boerenorganisatie ZLTO tot een half miljard schade. Nu zal daar enig natte vinger-werk inzitten en er liggen nog geen officiele schademeldingen onder, maar ongetwijfeld zal het heel veel zijn. Over het hele rampgebied samen inderdaad misschien wel een miljard.
In de beste traditie eiste de ZLTO geld voor zijn achterban voor deze “nationale ramp”.
Wateroverlast op de aardappelvelden
Staatssecretaris Van Dam had er niet meteen zin in. In de NRC (28 juni 2016) liet hij weten dat zijn ministerie er al jaren op aandringt dat boeren een weersverzekering afsluiten en dat, nog sterker, het ministerie daar zelfs een subsidie van 9 miljoen per jaar voor klaar heeft liggen. En, zegt het ministerie, als men via de rampenregeling geld wil vangen, kan dat alleen als het om onverzekerbare schade gaat.
Mensen die er meer van af weten dan ik, moeten maar bepalen wat wijsheid is. Misschien is een deel van de schade onverzekerbaar en misschien kunnen er voorwaarden verbonden worden aan een eventueel hulpbedrag. En omvallende boerenbedrijven kosten de staat, linksom of rechtsom, ook geld.
Ondertussen kan men zich de meer fundamentele vraag stellen in hoeverre het concept “verzekering” als zodanig in dit soort situaties bruikbaar blijft.
Een verzekering gaat fundamenteel van de aanname uit dat het incident uitzondering is en het niet-incident regel. Als de herhaalfrequenties van extreem weer toenemen, moet dat vroeg of laat gevolgen hebben voor de grondslagen van de verzekering. Op zijn gunstigst gaat de premie omhoog en op zijn slechtst houdt de verzekerbaarheid op. Zie op deze site Klimaatverandering en financiele stabiliteit
Waar de verzekerbaarheid ophoudt, moet het overheidsbeleid starten. Na de watersnoodramp van 1916 is de Afsluitdijk gebouwd, en na die van 1953 de Deltawerken. Men heeft toen ook niet voor gekozen voor een benadering “het Rijk betaalt de schade en tot de volgende overstroming”. Die mentaliteit zou ook hier getoond moeten worden.
Misschien zouden de regering en de Tweede Kamer een groter gevoel van urgentie t.a.v. klimaatverandering ten toon moeten spreiden.
In Brabant is onlangs het “Deltaplan Hoge Zandgronden” van kracht geworden waarin het beheer van het zoetwater op de zandgronden onderwerp van beleid is (zie Klimaateffecten in Brabant – 1 Het Deltaplan hoge zandgronden ). En waarin, het is navrant, vooral droge zomers afgedekt zijn – en niet zonder reden, want het weer wordt extremer, zowel in de natte als in de droge richting. Misschien moet de provincie eens haar Deltaplan-beleid ter evaluatie naast de feitelijke ervaringen van mei en juni 2016 leggen.
En misschien moet de bevolking minder bezwaar gaan maken tegen maatregelen die beogen het klimaat binnen aanvaardbare grenzen te houden, zoals windturbines, hoogspanningsleidingen en mestvergisters.
Ik heb in deze kolommen een aankondiging gezet van een demonstratie bij de de Duitse bruinkoolmijn in de Lausitz. Die demonstratie is een succes geworden.
In de online-editie van de Scientific American van 14 april 2016 schrijft David Biello dat men op het bekende station op de Hawaiaanse Mauna Loa-bergtop op 9 april 2016 de hoogste CO2 – concentratie ooit gemeten heeft, nl 409.44ppm.
Niet alleen de waarde zelf, maar ook de stijging ernaar toe, zijnde ruim 5 ppm, is een record.
De eerste meting op de Mauna Loa, in 1958, zat bijna 100ppm lager. Die 100ppm is grofweg goed voor 1ºC extra.
CO2-registratie op de Mauna Loa van mei 2014 t/m april 2016
“The world may have seen the last of air with CO2 levels below 400 parts per million” geeft Biello als tussenkop.
Hij geeft de specifieke schuld (bovenop de algemene trend) aan El Niño, aan de aangestoken bosbranden in Indonesie en aan de niet-aangestoken bosbranden overal ter wereld.
De Canadese bosbranden, die nu de kranten vullen, vinden hun oorsprong (dit jaar) in El Niño maar ook in de klimaatverandering. Dat schrijft Brian Kahn van Climate Central op 4 mei, welk artikel overgenomen is in de de online-editie van de Scientific American.
Op woensdag 4 mei 2016 meldde de NOS, dat zes wijken van de stad Fort MacMurray in de provincie Alberta gedeeltelijk in de as gelegd waren. Een overheidswoordvoerder meende dat toen het ergste nog moest komen “We kampen nog steeds met zeer hoge temperaturen, een lage luchtvochtigheid en harde windstoten“. Alle 88000 inwoners van de stad zijn geëvacueerd, sommigen meermalen. Een deel is bij de Shell terecht gekomen, die vanwege het brandgevaar de exploitatie van de nabij gelegen Tar Sands tijdelijk stop gezet heeft – een bittere ironie omdat nu een gevolg terugslaat op een oorzaak. Tot nu toe zijn er geen doden en gewonden gerapporteerd, hetgeen betekent dat de Canadezen wel een zeer capabele rampenorganisatie moeten hebben.
El Niño speelt een rol, maar is niet genoeg om de heftigheid van de gebeurtenissen te verklaren. El Niño komt jaarlijks, is moeilijk voorspelbaar van sterkte en piekt om de pakweg 5 jaar. Inderdaad veroorzaakt El Niño in dit Canadese deel van de wereld extra warmte en droogte, en inderdaad waren er bij de vorige super-El Niño in 1997-1998 meer bosbranden. (In Nederland overigens heeft El Niño nauwelijks invloed).
Afwijkende temperaturen boven Noord-Amerika op 4 mei 2016
Maar er zijn dus al vele Niño-effecten gepasserd aan Fort MacMurray en de stad is nooit eerder (voor een groot deel) afgebrand. Het had die winter al minder gesneeuwd en de huidige temperaturen liggen tot 22°C boven wat hier in deze tijd van het jaar normaal is. “Ik heb dit in mijn carrière nog nooit meegemaakt” aldus de brandweerchef van Fort MacMurray Darby Allen tegen CBC.
In het Climate Central-artikel wordt het bosbrandprobleem in een groter kader gezet. De Californische bosbranden uit 2015 worden vermeld, waarbij zo’n 2000 gebouwen afbrandden. In Alaska duurt het seizoen 40% langer dan 65 jaar geleden en is het aantal grote bosbranden in die tijd verdubbeld. In Canada als geheel begint het bosbrandseizoen een maand eerder en is de afgebrande oppervlakte sinds 1970 verdubbeld In de noordelijke wouden samen is het aantal bosbranden als geheel in de laatste 10.000 jaar nog niet zo hoog geweest. Deze gegevens komen van bosbrandonderzoeker Flanagan van de Universiteit van Alberta.
Het Climate Central-artikel noemt nog twee belangrijke overwegingen met een meer algemeen karakter.
De eerste is dat brandende bossen veel CO2 afgeven. Zodoende ontstaat er een zichzelf versterkend effect.
De tweede is dat veel bossen in Alberta en meer algemeen Canada op een veenlaag staan. Als die veenlaag vlam vat, krijg je dat bijna niet meer uit (ook in Nederland wel eens gebeurd). Het vuur kan weken of zelfs maanden doorsmeulen en onverwacht oplaaien. Het zou, volgens Climate Central, zelfs de winter kunnen overleven.