Eindhoven redelijke middelmaat in duurzaamheidsrapport PON-TELOS, Helmond slecht

PON & TELOS
PON heette vroeger Provinciaal Opbouworgaan Noord-Brabant. TELOS is van huis uit een kenniscentrum, verbonden aan de Universiteit van Tilburg. Beide zijn gefuseerd tot een kennisinstituut dat vooral voor lokale en regionale overheden in Nederland werkt, maar ook voor corporaties, banken, zorg- en welzijnsinstellingen, fondsen en maatschappelijke organisaties. PON&TELOS is partner van de Tilburgse universiteit. Zie https://hetpon-telos.nl/ .

De Nationale Monitor Duurzame Gemeenten – de methode
PON&TELOS doet onderzoeken en geeft, gevraagd en ongevraagd, advies. In die hoedanigheid wordt vanaf 2014 jaarlijks de Nationale Monitor Duurzame Gemeenten uitgebracht. In januari 2022 is de monitor over 2021 uitgebracht. Die omvat een onderzoeksverantwoording, een fact sheet van 137 indicatoren, een uitleggend magazine-artikel en een ranking  van alle 352 Nederlandse gemeenten.
De documentatie is te vinden op https://hetpon-telos.nl/portfolio/nationale-monitor-duurzame-gemeenten/ .

“Duurzaamheid” is inmiddels een veel misbruikt containerwoord. Het wordt gebruikt om vaan alles en nog wat te bewijzen, ook het tegendeel. Ik gebruik het zelf zo weinig mogelijk, maar PON&TELOS moet het wel gebruiken en geeft daarom een definitie en methodebeschrijving, die echter af en toe een slordigheidje bevat en essentiële onderdelen niet benoemt (die wel bestaan).

PON&TELOS gaat uit van de oorspronkelijke Brundtland-definitie ‘Duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder daarbij de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te kunnen voorzien te beperken.’  Dat wordt vertaald in de trits people, planet, profit, in de Monitor vertaald met de synoniemen Sociaal-cultureel kapitaal, Ecologisch kapitaal en Economisch kapitaal.

Per kapitaal zijn ‘voorraden’ of ‘thema’s’ gedefnieerd (zie boven), in totaal 22.
Aan elk thema zijn doelen en indicatoren gekoppeld, bij elkaar 137. Dat is teveel om hier op te sommen.  Ik geef één van de 137 als voorbeeld, horend bij thema Ecologisch kapitaal – bodem. Daarbij horen vijf indicatoren, waarvan dit de derde is. Deze indicator telt voor 1/3de deel mee in de eindscore van dit betreffende thema.

De normen hebben de omschrijving (van rood naar goud) “onacceptabel, directe ingreep gewenst”, “ maatschappelijke grens, behoefte aan directe aandacht”, “acceptabel, doel op korte termijn bereikt” en “optimaal, doel op lange termijn bereikt”.
Wat stelselmatig ontbreekt is een beschrijving hoe deze kwalitatieve oordelen in een puntensysteem vertaald worden. Met andere woorden, hoe uit een heleboel van dit soort oordelen uiteindelijk een waarde 53,3 komt (de waarde voor het Ecologisch kapitaal voor de gemeente Eindhoven).
Dus op onbekende wijze leiden de bij Maatschappelijke participatie t/m Wonen horende indicatoren tot een waarde voor het sociaal-culturele kapitaal. Idem die bij Wonen t/m Afval- en grondstoffen tot een waarde voor het Ecologisch kapitaal, en idem Arbeid t/m Infrastructuur-bereikbaarheid tot een waarde voor het Economisch kapitaal.
Je krijgt zodoende drie verzamelwaardes en die worden opgeteld en gedeeld door 3 – dat staat er overigens niet bij, maar ligt voor de hand en blijkt te kloppen -, en dat geeft de totaalscore (bij Eindhoven 54,2), Vervolgens krijgen alle 352 gemeentes een ranking volgens deze totaalscore.

De verzamelwaardes (dus 54,2) zijn op een schaal van 100 (je moet even zoeken voor je dat vindt). Honderd is de hemel en 0 is de hel.

Als extraatje zijn enkele deelgroepen afgezonderd, bijvoorbeeld de deelgroep van 32 grootste gemeenten. Je kunt de ranking krijgen van je gemeente binnen die deelgroep (bijvoorbeeld Eindhoven heeft de ranking 9 op de 32 – 1 is het beste, 32 is het slechtste.

Dit is wat je krijgt als je als privépersoon de resultaten van je gemeente opvraagt (dat moet per mail en kost niets). Ik heb die van Eindhoven opgevraagd.

De score per indicator, of eventueel de score per thema, wordt niet vermeld. Men kan bij  PON & TELOS een gemeentelijk duurzaamheidsportret vragen (https://hetpon-telos.nl/wat-we-doen/duurzaamheidsportret/ ). Daarin zouden al die tussenresultaten wel vermeld staan. De condities hiervoor worden niet vermeld.

De Nationale Monitor Duurzame Gemeenten – resultaten in bredere zin
Het is interessant om met de gegevens van de 352 Nederlandse gemeenten te spelen. E nationale lijst geeft op sobere wijze het grootste deel van de relevante informatie. Het overzicht per gemeente geeft aanvullende toeters en bellen.
Eerst de landelijke resultaten, in kaart gebracht. De grote steden doen het in verhouding slecht (veel sociale problematiek) en er is een soms een periferie-effect, zoals in de arme oost-Groningse gemeentes, Limburg en delen van Zeeland.
De periferiegemeente Dinkelland (het voormalige Ootmarsum – waar ik woonde in mijn  middelbare schooltijd -, Denekamp en Weerselo) scoort met 58,3 het beste – het periferie-effect is niet absoluut.

Als 58,3 de hoogste score is, dan is er in heel Nederland nog veel te doen.

Hierboven de top-10  van de 32 grootste gemeenten (met de eerder genoemde 9de plaats van Eindhoven). Blijkbaar helpt een universiteit.
Een grote omvang van een gemeente is dus geen noodlot. Utrecht is een stuk groter dan Eindhoven en heeft ook veel oude wijken en sociale problematiek, en doet het op duurzaamheidsgebied beter.
Eindhoven schept meer op met de eigen voortreffelijkheid dan objectief gerechtvaardigd is. “Redelijke middelmaat” is een betere aanduiding.

Tenslotte nog een selectie van alle gemeenten uit het MRE-gebied. Dat geeft het onderstaande (de + of – betekent dat de ranking t.o.v. een jaar eerder gestegen of gedaald is):

Er vallen wat zaken op.
Eerstens de slechte positie van Helmond op alle drie de kapitalen (totaal 330ste van de 352). Vanuit duurzaamheidsoverwegingen is Helmond een rampgebied dat hoognodig aanpak vraagt.
Tweedens valt de goede positie van Heeze-Leende op.
Derdens dat de scores dichter bij elkaar liggen dan de rankings. Kleine scoreverschillen leiden soms tot grote rankingsverschillen.
Ten vierde dat als dit een schoolrapport was, slechts bij 3 van de 21 gemeenten het Sociaal-culturele kapitaal omhoog krap op een 6 zou worden afgerond, bij het ecologisch kapitaal 7 van de 21, en bij het Economisch kapitaal 12 van de 21. Er is weinig reden tot triomfalisme.
Tenslotte (maar dat is bij gebrek aan uitsplitsing speculatief) meen ik er de milieueffecten van de veeteelt en het vliegveld in te zien.

De laatste grafiek geeft een indruk van de score (nationaal gemiddeld) van de drie kapitalen door de jaren heen.
In aanmerking genomen dat de schaal tot 100 loopt, is er nog veel te doen.